Passa al contenuto principale

Samenlevingen die niet investeren in informatie, investeren in chaos

Door Peter Vandermeersch

Aan het eind van dit jaar wil ik hier nog even terugkomen op een document dat misschien wel de meest fundamentele analyse is die ik dit jaar heb gelezen over ons vak en dat, zo denk ik, te weinig aandacht heeft gekregen.

In het najaar publiceerden enkele van ’s werelds meest gezaghebbende economen, onder wie Joseph Stiglitz, Daron Acemoğlu en Philippe Aghion, die alle drie de Nobelprijs voor de Economie hebben gekregen, een rapport over de toekomst van de informatievoorziening. Dat was opvallend scherp in toon en inhoud. “The Economic Imperative of Investing in Public Interest Media” (Si apre in una nuova finestra), zo luidt de titel van het erg lezenswaardig document.

De economen schrijven dat “toegang tot betrouwbare informatie de fundamentele grondstof is die onze economie van de 21ste eeuw aandrijft” en dat “onafhankelijke media de samenleving een grote meerwaarde bieden, doordat zij bijdragen aan transparantie en goed bestuur in politieke en economische aangelegenheden.”

Zulke zinnen lees je zelden in economische rapporten. Ze verraden een ernst die verder gaat dan sectoranalyse. De auteurs waarschuwen zonder meer voor een “informatie-Armageddon”. Dat is geen beeldspraak maar een diagnose van wat zij structurele erosie van de publieke informatievoorziening noemen.

Het rapport maakt een fundamenteel punt: journalistiek is geen marktproduct maar infrastructuur. “Media die het publieke belang dienen, spelen een essentiële rol bij het garanderen van de informatiestroom en het bewaken van de kwaliteit ervan.”

Public interest media “functioneren als de centrale banken van de informele economie: zij leveren het vertrouwen dat nodig is om het systeem te laten functioneren.” Wie iets ‘infrastructuur’ noemt, erkent dat het niet alleen mag bestaan bij gratie van advertentiemodellen of algoritmische distributie. Infrastructuur vraagt om stabiliteit en publieke zorg.

De auteurs beschrijven hoe het klassieke journalistieke verdienmodel is uitgehold. “In het digitale tijdperk is dat model ingestort. Een van de belangrijkste oorzaken is de steeds oneerlijkere concurrentie van techgiganten en de digitale platformen die zij controleren”, waardoor de informatie-economie niet gericht is op betrouwbaarheid maar op bereik.

Het gevolg is desastreus. “We staan op een pad waarop journalistiek in het publieke belang dreigt in te storten — met enorme gevolgen voor onze economie, onze samenleving en onze democratieën.”

Het rapport pleit dan ook voor duurzame financiering van journalistiek in het publiek belang, voor effectieve regulering van dominante platformen en voor een politieke erkenning dat onafhankelijke informatievoorziening een publiek goed is. “Wat we nu nodig hebben, is geen heruitvinding van het wiel, maar een nieuwe dosis politieke wil én een gezamenlijke inzet van overheden om te investeren in wat we weten dat werkt.”

Juist aan het eind van dit jaar, waarin desinformatie, strategische communicatie en toenemende polarisatie het publieke debat vaak bepaalden, krijgt deze analyse extra gewicht. Ze laat zien dat de crisis in de journalistiek geen sectorprobleem is maar een structurele kwestie die raakt aan het functioneren van onze democratie.

De economen in hun slotparagraaf: “We hebben leiderschap nodig dat dit moment van crisis weet om te vormen tot een unieke kans — een once‑in‑a‑generation opportunity — om een informatie-economie te bouwen die klaar is voor de toekomst.”

Dit document mag niet verdwijnen in het jaararchief. Het legt vast dat de toekomst van journalistiek geen intern debat is maar een maatschappelijke opdracht, en dat de vraag of we betrouwbare informatie willen behouden een maatschappelijke en politieke keuze is.

In een eerdere versie van dit stuk waren citaten niet correct. Dit is hierboven gecorrigeerd.