Hoe een democratie haar waakhond aan de leiband houdt
Door Peter Vandermeersch
Afgelopen dinsdag schoof ik nog eens aan bij de Nederlandse talkshow van Eva Jinek om te praten over één jaar Trump en de pers (S'ouvre dans une nouvelle fenêtre). Ik was blij dat het programma aandacht besteedde aan dit thema, want zoals iemand uit het publiek me achteraf zei: “Dat alles gebeurt behoorlijk ver van ons bed en we zien het niet altijd.”
Daardoor aangespoord keek ik de voorbije dagen nog scherper naar wat één jaar Trump betekent voor de media. Ik las in detail wat journalisten, media-instituten, mensenrechtenorganisaties en internationale waakhonden hierover schreven. Een stand van zaken.
Wie het eerste jaar van Donald Trumps tweede ambtstermijn beschrijft als een reeks persoonlijke conflicten met “lastige journalisten”, mist het grotere plaatje, schrijft Tom Jones van het journalistieke opleidingsinstituut Poynter. (S'ouvre dans une nouvelle fenêtre) Het gaat niet om incidenten, maar om een structurele aanval op de pers als democratische institutie.
Zo werd Associated Press, een van de meest gezaghebbende persagentschappen ter wereld, geweerd uit evenementen in het Witte Huis (S'ouvre dans une nouvelle fenêtre)omdat het persbureau bleef spreken over de Gulf of Mexico in plaats van Trumps ideologisch herdoopte Gulf of America. Het was een expliciete sanctie voor een redactionele keuze.
Trump en zijn regering spanden rechtszaken aan — of dreigden daarmee — tegen CBS News, (S'ouvre dans une nouvelle fenêtre) The New York Times, (S'ouvre dans une nouvelle fenêtre) The Wall Street Journal, (S'ouvre dans une nouvelle fenêtre) de BBC (S'ouvre dans une nouvelle fenêtre) en andere redacties. ABC News betaalde ongeveer 14 miljoen dollar (S'ouvre dans une nouvelle fenêtre)om een zaak te schikken; CBS News volgde met een schikking van naar schatting 16 miljoen dollar over de montage van een interview met Kamala Harris. Juridische experts noemden die claims zwak, maar media-eigenaren verkozen schikken boven procederen en waren in veel gevallen beducht dat het weigeren te schikken de toorn van de president zou opwekken.

Trump zelf bleef ondertussen individuele journalisten publiekelijk beledigen. “Quiet, piggy”, (S'ouvre dans une nouvelle fenêtre) snauwde hij op 14 november tegen Bloomberg-journaliste Catherine Lucey. Vier dagen later noemde hij Mary Bruce van ABC News “a terrible person and a terrible reporter” (S'ouvre dans une nouvelle fenêtre). Redacties bleef hij collectief wegzetten als “vijanden van het volk” (over The New York Times in maart), als “sick” (over verschillende media in april die berichtten over lage populariteitscijfers) of als “fake news”. Kritische berichtgeving wordt door de president systematisch geframed als kwaadaardige oppositie.
Verschillende analisten wijzen erop dat Trump daarbij niet improviseert. Volgens Freedom of the Press Watch en Poynter-journalist Angela Fu volgt de president het draaiboek van Project 2025 (S'ouvre dans une nouvelle fenêtre)— een ideologisch plan dat inzet op het hertekenen van de relatie tussen overheid en pers. Het scenario is bekend: beperk toegang tot regeringsfunctionarissen en ambtenaren, herdefinieer wie journalist is, politiseer regulerende instanties en knip publieke financiering door. Media die federale subsidies ontvangen — NPR, PBS en organisaties onder de U.S. Agency for Global Media (USAGM) — werden het hardst getroffen.
In oktober 2025 werd deze strategie ook zichtbaar in het Pentagon. Het ministerie van Defensie voerde nieuwe persrichtlijnen in die onafhankelijke verslaggeving feitelijk onmogelijk maakten. Toegang werd gekoppeld aan voorwaarden die volgens mediabedrijven, Amnesty International en persvrijheidsorganisaties het normale functioneren van media verhinderden en onder meer de bescherming van bronnen ondergroeven.

Vrijwel de volledige traditionele pers — waaronder Associated Press, Reuters, NPR en alle grote kranten en omroepen — weigerde die voorwaarden te aanvaarden en leverde collectief haar persbadges in. (S'ouvre dans une nouvelle fenêtre) De vrijgekomen plaatsen werden ingevuld door een groep pro-Trump-outlets en politieke “influencers”. Kritische journalistiek werd op die manier niet formeel verboden, maar wel onmogelijk gemaakt — een techniek die bekend is uit landen waar democratische instituties van binnenuit worden uitgehold.
Sommigen vrezen dat in de komende maanden iets gelijkaardigs kan gebeuren in het Witte Huis, waar kritische vragen steeds minder welkom zijn. Denk aan de manier waarop de uit Belfast afkomstige journalist Niall Stanage vorige week publiekelijk werd uitgescholden door de woordvoerster van het Witte Huis, Karoline Leavitt. (S'ouvre dans une nouvelle fenêtre)
De structurele druk bleef bovendien niet beperkt tot woorden, rechtszaken of toegangsbeperkingen. In de voorbije weken werd een grens overschreden die tot voor kort ondenkbaar leek in de Verenigde Staten: een huiszoeking bij een journalist. Hannah Natanson — onderzoeksjournaliste bij The Washington Post — (S'ouvre dans une nouvelle fenêtre) kreeg federale speurders over de vloer in het kader van een onderzoek naar vermeende lekken binnen de overheid. Haar woning werd doorzocht en laptops werden in beslag genomen.
Dit kon gebeuren omdat de regering Trump de interpretatie verruimde van nationale veiligheidswetgeving, de bescherming van journalistieke bronnen verzwakteen het ministerie van Justitie meer ruimte gaf om journalisten als “medeplichtigen” aan lekken te beschouwen (S'ouvre dans une nouvelle fenêtre). Richtlijnen die sinds Watergate golden — en huiszoekingen bij journalisten enkel als uiterste noodmaatregel toelieten — werden herzien of buiten werking gesteld.

Persvrijheidsorganisaties spraken over een “tremendous intrusion” en een “chilling effect”. Zelfs als de zaak tegen Natanson juridisch geen stand houdt, is het signaal helder: wie kritisch bericht over machtsmisbruik of interne documenten publiceert, riskeert juridische intimidatie en zelfs een fysieke inbreuk op zijn of haar privéleven. Het principe van bronbescherming — een hoeksteen van onderzoeksjournalistiek — komt onder vuur te liggen.
“Je associeert dergelijk gedrag met autoritaire politiestaten en niet met democratische samenlevingen die de essentiële rol van de journalistiek bij het informeren van het publiek erkennen,” zei PEN-directeur Tim Richardson hierover.
Volgens Amnesty International gaat het intussen allang niet meer om een mediaconflict, maar om een mensenrechtencrisis. Paul O’Brien, directeur van Amnesty International USA, verwoordt het zo: (S'ouvre dans une nouvelle fenêtre) “Door normen te verscheuren en macht te concentreren, probeert de regering het onmogelijk te maken dat wie dan ook haar ter verantwoording kan roepen. Deze autoritaire praktijken van de Trump-regering ondermijnen de mensenrechten en vergroten het risico voor journalisten en voor mensen die zich uitspreken of verzet aantekenen, onder wie betogers, advocaten, studenten en mensenrechtenverdedigers.”

Amnesty identificeert twaalf domeinen waarin de pijlers van een vrije samenleving worden ondermijnd. Aanvallen op persvrijheid en toegang tot informatie staan daarbij centraal. De organisatie documenteert hoe journalisten worden geïntimideerd, toegang wordt beperkt, media worden gedelegitimeerd en regulerende instanties worden gepolitiseerd. De impact reikt verder dan de Verenigde Staten. De ontmanteling van Voice of America, Radio Free Europe/Radio Liberty, Radio Free Asia en Radio Martí verzwakt onafhankelijke berichtgeving in landen waar persvrijheid onder druk staat.
Dat dit geen subjectieve indruk is, blijkt ook uit internationale persvrijheidsbarometers. Reporters sans frontières (RSF) noteert een duidelijke achteruitgang van de Verenigde Staten op de World Press Freedom Index, (S'ouvre dans une nouvelle fenêtre)vooral door politieke druk, juridische intimidatie en de politisering van toegang tot informatie. RSF trekt een harde conclusie. Trump beloofde na zijn herverkiezing “dictator on day one” te zijn — en volgens de organisatie heeft hij die belofte ten aanzien van de pers grotendeels ingelost. In één jaar tijd werden overheidsdata gecensureerd, publieke omroepen ontmanteld, onafhankelijke agentschappen gepolitiseerd, media juridisch geïntimideerd en internationale steun voor persvrijheid stopgezet. RSF vergelijkt deze aanpak expliciet met die van leiders als Vladimir Poetin.

Zoals Clayton Weimers van RSF: “Afzonderlijke aanvallen verdwijnen in de dagelijkse nieuwsstroom, maar samen is de conclusie onontkoombaar. De Amerikaanse president voert een systematische oorlog tegen de vrije pers — met gevolgen die verder reiken dan de Verenigde Staten.”
De Russisch-Amerikaanse schrijver en journalist Masha Gessen vatte het deze week treffend samen in een opiniestuk in The New York Times: (S'ouvre dans une nouvelle fenêtre) “We hebben nog steeds onafhankelijke media. Maar als we de balans opmaken van hoeveel het medialandschap is veranderd, dan stemt dat tot nadenken.”
Gessen besluit: “Natuurlijk zijn de Verenigde Staten niet Rusland — of Hongarije of Venezuela of Israël of een van de vele andere democratieën die zich hebben omgevormd of aan het omvormen zijn tot autocratieën. Maar nu is het moment om ons te richten op de overeenkomsten en te proberen te leren van de manieren waarop andere landen protest hebben onderdrukt, hun kiesstelsels hebben uitgehold, hun mediavrijheid hebben ingeperkt en concentratiekampen hebben gebouwd. De enige manier om te voorkomen dat de ruimte implodeert, is haar te vullen, de muren te stutten: alle ruimte op te eisen die er nog is om te spreken, te schrijven, te publiceren, te protesteren, te stemmen. Dat is wat de mensen van Minnesota lijken te doen, en het is iets wat ieder van ons moet doen — nu, terwijl we dat nog kunnen.”
Correctie: bij Jinek vertelde ik over een onderzoek naar (het gebrek aan) vertrouwen van Amerikaanse jongeren in de pers. (S'ouvre dans une nouvelle fenêtre) Ik citeerde daar een verkeerd cijfer. De juiste cijfers: 45 % van de Amerikaanse tieners geloven dat journalisten meer kwaad dan goed doen voor de democratie. Acht op tien jongeren denken dat journalisten niet onafhankelijker zijn dan “online content creators” en zeven op tien jongeren geloven dat nieuwsorganisaties bewust feiten verdraaien.