Waarom de journalistieke selectie van kranten fundamenteel verschilt van die van algoritmes
Door Peter Vandermeersch
Ik kreeg opmerkelijk veel reacties op mijn vorige post op Substack (Opens in a new window) en Steady (Opens in a new window) over het algoritme achter X/Twitter. Daarin schreef ik over een onderzoek dat in Nature verscheen en waaruit bleek dat het algoritme achter X/Twitter conservatieve content bevoordeelt, traditionele media minder zichtbaar maakt en politieke opvattingen structureel naar rechts verschuift.
“Zijn klassieke media dan "neutraal"? Maken zij geen selectie van wat wel en niet, op basis van gekleurde insteek? Komen alle meningen in kranten en openbare omroep vrij aan bod? “, vroeg een Vlaams Parlementslid mij. Iemand had het over “de pot en de ketel”. Nog iemand vroeg zich af of “traditionele media ons niet een wereldbeeld of een opinie voorschotelen die deels gekleurd is door de strekking van de krant, of door wat een publieke opinie vraagt.” En iemand beweerde erg stellig: “Ook de klassieke media hanteren hun eigen vorm van ‘verdoken algoritmes’, voornamelijk door de selectie van verhalen die ze beslissen te presenteren aan hun publiek, en de verhalen die ze achterwege laten. “
Het zette mij tot denken aan. Ben ik dan blind voor onze “bias”? Verwijt ik X dat het het publiek in een bepaalde richting duwt met algoritmes terwijl ik als hoofdredacteur meer dan twintig jaar lang toch ook keuzes maakte over wat wel en wat niet te publiceren? Ben ik, zoals een communicatiewetenschapper mij zei, misschien de gefrustreerde poortwachter die ziet dat de nieuwe gatekeeper niet langer de klassieke krant is maar wel de Amerikaanse en Chinese platformen?

Het klopt: journalistiek is een onvermijdelijke en zelf noodzakelijke vorm van curatie. Elke dag selecteren journalisten welke feiten en meningen ze relevant vinden. Ze ordenen die, bepalen wat groot wordt gebracht, wat minder aandacht krijgt en wat in de papiermand terecht komt. Toen we nog papieren telexen verwerkten, viel het mij als jonge journalist altijd op hoeveel nieuws er letterlijk op de redactievloer bleef liggen.
Meningen van experts krijgen meer aandacht dan die van mensen die minder in de materie zijn onderlegd. Feiten die een bredere maatschappelijke relevantie hebben worden prominenter gebracht dat faits divers, nieuws dichter bij huis maakt meer kans dan wat ver weg gebeurt. Die keuzes zijn subjectief en als geen ander kan ik zeggen dat we daarbij fouten maken. Elke dag.
Maar die curatie verschilt essentieel van algoritmische selectie.
Om te beginnen zijn algoritmes zo ontworpen dat ze engagement vergroten. Ze optimaliseren voor kliks en kijktijd. Hun onderliggende vraag is gedragsmatig en commercieel: wat houdt deze gebruiker zo lang mogelijk vast? Een redactie daarentegen vertrekt vanuit een andere vraag: wat moet een burger weten om te kunnen functioneren in een samenleving?
Zoals recent in The New Yorker werd gesteld: een krant is — of zou moeten zijn — het tegenovergestelde van een algoritme. Ze veronderstelt dat er een reeks onderwerpen is waarvan een ontwikkeld lezer kennis zou moeten nemen, ook als hij of zij dat zelf niet spontaan beseft. In een krant ga je op zoek naar de sportuitslagen van jouw club, en bots je op een analyse over migratie. In een krant lees je dat stuk van jouw favoriete columnist, maar word je ook geconfronteerd met iemand die haar mening niet deelt.
Waar Instagram of X ons meer van hetzelfde serveert op basis van wat we gisteren bekeken, doet een krant iets anders: ze confronteert. Ze nodigt uit tot verbreding. Ze gaat ervan uit dat de lezer méér kan en moet zijn dan zijn vorige klikgedrag.
Een tweede cruciale verschil: algoritmes functioneren vaak als een black box. Hun beslissingen zijn technisch complex en nauwelijks uitlegbaar. Verantwoordelijkheid is verspreid over anonieme teams van ingenieurs en commerciële structuren.
Journalisten daarentegen zijn identificeerbaar en aanspreekbaar. Ze werken volgens publieke codes, deontologische richtlijnen en, als het goed is, onder toezicht van een ombudsman. Een redactionele keuze is herleidbaar tot mensen die publiek verantwoording kunnen afleggen. Ik heb als hoofdredacteur en later als uitgever en CEO duizenden mails geschreven naar lezers en critici en heb honderden lezingen en interviews gegeven om keuzes uit te leggen en te verdedigen (en ja, ook wel eens om mij te excuseren als we fout zaten).
Dat verschil is existentieel: een algoritme hoeft zich niet te verantwoorden tegenover een democratische gemeenschap. Een redactie wel.
Een derde verschil ligt in het feit dat journalisten telkens opnieuw conflicterende waarden afwegen: recht op informatie versus recht op privacy, transparantie versus menselijke waardigheid. Die morele afweging vereist context, empathie en oordeelsvermogen — kwaliteiten die niet reduceerbaar zijn tot patroonherkenning. Op alle redacties waar ik heb gewerkt — in België, Nederland, Ierland en Noord-Ierland — heb ik gezien hoeveel er, van ‘s ochtends tot ’s avonds wordt gepraat en gediscussieerd over deze keuzes. Ik heb altijd gewild dat buitenstaanders dat eens zouden meemaken.
Natuurlijk heeft elke redactie een profiel, een visie, een ‘smoel’. In Nederland maakt De Telegraaf andere keuzes dan NRC. In Vlaanderen is De Standaard een fundamenteel andere krant dan Het Laatste Nieuws. Die rijkdom is goed voor het perslandschap. Maar vooral: die positie is zichtbaar en onderwerp van debat. Ze wordt getoetst, bekritiseerd en gecorrigeerd.

Algoritmische bias daarentegen zit verborgen in code en trainingsdata. Ze versterkt patronen uit het verleden zonder ze ter discussie te stellen.
Het verschil is niet dat de ene vrij is van vooroordelen en de andere niet. Het verschil is dat journalistieke bias bespreekbaar en corrigeerbaar is, terwijl algoritmische bias onzichtbaar en daardoor moeilijk controleerbaar blijft.
Tot slot: algoritmes personaliseren en fragmenteren. Ze versterken bestaande voorkeuren en creëren parallelle werkelijkheden. In mijn “bubble” krijg ik meer doorgestuurd van de links liberale The Guardian en The Economist dan van de conservatieve The Daily Telegraph en The Spectator. Ik krijg bepaalde thema’s dagelijks in mijn timeline en andere nooit. Sommige stemmen bereiken me, andere niet.
Een krant daarentegen maakt één publieke selectie voor velen. In haar “warren of sections and columns and byways” — om opnieuw The New Yorker te citeren — ligt een stille maar principiële aanname besloten: er bestaat zoiets als een gedeelde wereld waarover wij allemaal iets moeten weten. Het is wel degelijk van grote waarde dat ik op dat stuk over migratie wordt gewezen en die mening die anders is dan de mijne te horen krijg.
De krant is in die zin maximalistisch en soms onbuigzaam. Ze wil niet louter bestaande smaken bedienen, maar ze uitdagen. Haar missie is niet om het publiek te bevestigen in zijn meest parochiale instincten, maar om het te verbreden — om een bepaald type burger te vormen, en daarmee een bepaald type publiek.
Daarom is de selectie door een redactie geen ‘verdoken algoritme’ maar juist de kern van het vak: het omzetten van informatie-overvloed in betekenisvolle, verantwoord gekozen verhalen. Objectiviteit betekent hier niet de afwezigheid van keuzes, maar de transparantie en ethiek waarmee keuzes worden gemaakt.
Zijn kranten feilloos? Natuurlijk niet. Redacties zijn niet altijd transparant, hebben het lastig om zich te verantwoorden, laten ook hun journalistieke keuzes (te veel) beïnvloeden door hun “dashboards” waarin ze zien waarop de lezer klikt. En ook ik zie dat de clickbait op sites van sommige kranten een aanfluiting is van wat journalistiek moet zijn.
Maar de man in mij die van het oude begrip “volksverheffing” houdt, durft te denken: waar een algoritme de gebruiker neemt zoals hij is, vertrekt de krant van het idee dat hij of zij méér kan worden.